Den Haag (Mitose)
Tenslotte zit je godvergeten
veel in elke cel - elke tel splijt,
steeds roep ik je aan. Ik neem je mee naar ver, over
de wolken en later daarboven, dacht dat dat kon.
Zeg je: ‘zóveel wolk om doorheen
te kijken of daarachter, liever dat’. Wind waait
het water uit de gracht, wat drooggelegd
is moet wel weer oevers krijgen.
‘Misschien hou ik zeeën meer van jou dan jij
van mij’, zei ik. ‘Alle facetten’ riep je, ‘elke
druppel valt uiteindelijk anders en om het even’ -
uiteindelijk moest het wel regenen:
'hoor me niet, zie me niet, voel me niet'.