Stelling drie (Trotzdem)
In de laan liet je me de vrouw en de ezel zien, de
achtergrond een onwankelbaar blauw. Op het plein
dronken we retsina in Dionysos en dansten de tafels
vanzelf weg. ‘In de naam van de vader’, zei ik en vervloekte
de goden, terwijl het stormde rondom een centraal station.
Later, en 'n stad verder struikelde ik je voorbij: eerst was er
de ezel en twee argeloze tellen daarna zij - en jij.
‘Welke naam dan ook’ riep ik, een verdwaalde gouden strohalm
recht tussen mijn ogen, het touw in rust, de ketting gelegd
en je zag me niet.